• leden

 

Ongeveer 10% van het landoppervlak van de aarde bestaat uit kalksteen. Dit gesteente heeft twee belangrijke eigenschappen; het is een afzettlngsgesteente en bestaat dus uit lagen en het is oplosbaar in (aangezuurd) water.

Regenwater wordt aangezuurd door kooldioxide (CO2) uit de lucht, en zoals gesteld kan aangezuurd water kalksteen oplossen. Dit oplossen noem en we corrosie. Dat juist in kalksteen de grootste grotten ontstaan is grotendeels het gevolg van de corrosie van kalk: in tegenstelling tot bijvoorbeeld gips, dat net als zout "gewoon" oplost in water, lost kalk op volgens de (omkeerbare) vergelijking:

CaCO3 + H2O + CO2 <=> Ca2++ 2HCO3-

In gewoon Nederlands: als kalksteen in aanraking komt met water waarin koolzuur is opgelost ontstaan er calcium en carbonaat ionen die in oplossing gaan. De reaktie kan van links naar rechts verlopen (als het water zuurder wordt door oplossen van C02 dan kan er meer kalk oplossen), maar ook van rechts naar links (als er C02 uit de oplossing verdwijnt dan ontstaat er weer kalksteen; de kalk, slaat neer"). Gebieden waar kalksteen aan de aardoppervlakte is opgelost door water noem en we karstgebieden. Karst is de naam van een gebied in Noord-West Joegoslavië (tussen Triest en Ljubljana).
Het landschap vertoont een aantal voor corrosie van kalk specifieke kenmerken, zoals karren, dolinen en ondergrondse afwatering. 0mdat in de vorige eeuw juist hier veel studie verricht werd aan deze verschijnselen wordt de benaming 'karst' tegenwoordig gebruikt voor ieder gebied waar corrosie van kalk op grote schaal voorkomt. De voornaamste kenmerken van een karstlandschap zijn dus karren, dolinen en ondergrondse afwatering. En natuurlijk grotten.

Foto: Karstlandschap in het gebied van de Pierre-St-Martin (Pyreneën). Het torentje is de ingang van de tête Sauvage, één van de ingangen tot de Pierre-St-Martin.

> Foto: Rillenkarren als karstverschijnsel aan de oppervlakte.

 

Karren zullen ontstaan in kalksteen- gebieden waar voldoende neerslag valt en waar geen of matige plantenbedekking is. Door het oplossen van de kalksteen kunnen geultjes ontstaan waarlangs het water wegstroomt. Afhankelijk van de steilte van het oppervlak zullen Rillen- of Kluftkarren ontstaan.Rillenkarren zijn ondiepe geultjes die op sterk hellende kalkoppervlakken ontstaan.

> Foto: Kluftkarren als karstverschijnsel aan de oppervlakte. Een heel veld van deze verschijnselen aan de oppervlakte heet Lapiaz (franse term).

Kluftkarren zijn diepe geulen, die ontstaan in relatief vlakke kalkoppervlakken, waar het water langzaam stroomt en dus dieper kan doordringen. In Kluftkarren ontstaat vaak plantengroei en dus een zure humuslaag. Hierdoor zal het corrosieproces sneller en ook zijwaarts verlopen. 0p de lange duur worden de wanden tussen de karren ondermijnd en verdwijnen ze.

Dolinen (naar doline, het Sloveense woord voor dal) zijn meestal ronde verzakkingen in het landschap. Ze kunnen variëren van enkele meters tot honderden meters in diameter. De diepte kan eveneens van enkele tot meer dan 100 meter variëren. Men kan dolinen naar hun wijze van ontstaan in twee groepen indelen. 0vergangsvormen zijn echter mogelijk.

0plossingsdolinen. Via spleten in de kalksteen (vaak waar deze elkaar kruisen) stroomt water weg. Door corrosie raken de wanden steeds verder uit elkaar en kan een soort trechter ontstaan.

Instortingsdolinen. Een vrije ruimte onderde grond waarvan het plafond door corrosie of instabiliteit instort. Indien de wanden tussen een reeks dicht bij elkaar liggende dolinen verdwijnen, ontstaan er een zogenaamd 'blind dal'. Een groot oppervlak met aan elkaar gegroeide dolinen noem en we een 'uvala'. De afzonderlijke dolinen zijn in tegenstelling tot het blinddal in een uvala nog te herkennen.

Het derde kenmerk dat een bepaalde streek tot karstgebied maakt is een zogenaamde ondergrondse afwatering. Regenwater blijft er niet lang aan de oppervlakte, maar verdwijnt snel onder de grond. Rivieren en beken zijn dan ook zelden in een karstgebid aanwezig. Het water verdwijnt via nauwelijks waarneembare spleten of in duidelijke verdwijngaten, de zogenaamde 'pertes', en stroomt ondergronds verder. Na een verblijf ondergronds kan het water in bronnen weer aan het aardoppervlakte komen. Vaak liggen verdwijnpunten en karstbronnen op de randen van een karstgebied, namelijk op de scheiding tussen de kalksteen en onoplosbare lagen.